Opgravingen

Houten LoeS 1(2) HtnLoeS:

Op het grondgebied van de gemeente Houten vinden jaarlijks een of meerdere archeologische onderzoeken plaats. Daarin speelt ook de AWG "Leen de Keijzer" een rol, zelfstandig of ondersteunend. Ter illustratie: in de maanden mei tot en met juli 2009 heeft de AWG veldonderzoek verricht op een centrale plek in Houten.

Inleiding en opdracht.

Op de schapenweide tussen de spoorbaan en de Beusichemseweg te Houten verrichtte onze archeologische werkgroep in het voorjaar en de zomer van 2009 archeologisch proefonderzoek. De weide is onderdeel van het gebied Loerik en we noemen het onderzoek HtnLoeS.

Er zijn plannen om dit gebied te bebouwen met woningen en kantoren. 

Het onderzoek was gericht op het aantonen van sporen van menselijke bewoning in vroegere eeuwen. Het onderzoeksgebied is immers onderdeel van zone waar sporen zijn gevonden van bewoning uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, tot ver in de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Onze werkgroep heeft in het verleden in de directe omgeving al eerder onderzoek gedaan en stuitte daarbij op bewoningssporen sinds de IJzertijd.

Uitvoering.

HtnLoeS Overzicht PuttenUit ons vooronderzoek bleek de aanwezigheid in de ondergrond van de resten van een geulensysteem, dat in de Romeinse tijd nog actief moet zijn geweest. Dus gingen wij met ons graafwerk op zoek naar die oude geulen. De veronderstelling was dat op de flanken van die oude geulen de kans het grootst is om menselijke bewoningssporen aan te treffen.

Wij hebben op het onderzoeksterrein vier proefputten aangelegd, en wel zodanig dat daarmee de grootste kans was om sporen van oude geulen en eventuele bewoning bloot te leggen. Op het bijgevoegde schetskaartje hebben we het onderzoeksterrein HtnLoeS en de vier proefputten aangegeven. Put 1 heeft een lengte van 30m. Put 2 is 36m lang en put 3 kreeg uiteindelijk een lengte van 59m. Put 4 tenslotte strekte zich uit over 32m. Alle putten waren ongeveer 4m breed. De diepte van de putten varieerde uiteindelijk van ruim 1m tot 2m beneden het maaiveld. [Klik op bijgevoegde kaartje om te vergroten, en op geul put 1 en geul put 3 om te openen]

Conclusie.

Bewoningssporen hebben we nauwelijks gezien. We legden slechts een zeer beperkte hoeveelheid vondsten bloot: botmateriaal, enkele aardewerkscherven (IJzertijd en Romeins), een paar dakpanfragmenten en schelpen(gruis). Uit de vondstomstandigheden bleek dat het hoogstwaarschijnlijk om verspoeld materiaal gaat. Dat is vondstmateriaal dat vanuit de wijdere omgeving in ons onderzoeksgebied terecht is gekomen door de werking van water en grondbewerking.
Wel vonden we sporen van het oude geulensysteem, waaruit de fysisch-geografische en geomorfologische processen zijn af te leiden. Sporen dus die gewoonlijk hun oorsprong vinden in processen onder werking van stromend water, met invloeden van planten, dier en mensen.

De conclusie van het proefonderzoek is dat in het onderzoeksgebied geen sporen mogen worden verwacht van bewoning, laat staan van een nederzetting.

Aanvullende opmerkingen over fysische geografie en geomorfologie.

Langzaam stromende rivieren bouwen hun bedding en oevers op omdat zand en klei bezinken. Zo ontstaan stroomruggen en oeverwallen. Verder weg van de rivier komen de fijne kleideeltjes tot bezinking en vormen de komgronden. De wat hoger gelegen oeverafzettingen zijn van oudsher vaak goed bewoonbaar geweest, terwijl de lagere delen werden gebruikt om het vee te weiden.

Enkele foto’s en het kaartmateriaal uit het onderzoeksgebied illustreren ons inziens het geomorfologische proces van de dynamische rivier, zij het op kleine schaal.

Houten LoeS 2
Opmerking 1.
In vlak 3 van put 1 tussen 23 en 27 meter van het nulpunt ligt een kleipakket, en zuidelijk daarvan nog een band klei (ongeveer zoals op een foto van vlak 1 al te zien is): de sedimentatie die plaatsvindt bij overstromingen.













Houten LoeS 3
Opmerking 2.
Op vlak 3 van put 1, op een diepte van 80 cm onder het maaiveld, werd een profiel afgeschaafd met zanderige stroomribbels (zie foto klik om te vergroten). De zandbank betreft hier een mogelijk een kronkelwaard: een binnenbocht van een riviermeander. De stroomsnelheid van water is in de binnenkant van een bocht altijd het laagst, en daar wordt dan ook zand afgezet. De aanzanding houdt meestal gelijke tred met oevererosie in de buitenbocht. Zo schuift de rivier steeds verder naar buiten. Herhaling van dit proces leidt tot een elkaar afwisselend patroon zoals hier op de foto. Tevens wordt er tijdens hoogwater in de binnenbocht van de rivier in de zomerbedding een sikkelvormige zandrug gevormd, een zogenaamde kronkelwaardbank. Bij grote rivieren geeft dit een reliëfrijk landschap van stroomruggen en dalen te zien. In vlak 3 van put 1 liggen tussen 15 en 5 meter van het nulpunt twee vlakken met stroomribbels.

Houten Loes 4
Opmerking 3.
Een kronkelwaard bestaat uit een patroon van kronkelwaardruggen en –geulen. De ruggen worden over een grote lengte van elkaar gescheiden door geulen. In vlak 3 van put 1 tussen 0 en 5 meter van het nulpunt is een kronkelwaardgeul zichtbaar op het aansluitende westelijke wandprofiel (zie foto klik om te vergroten). De kronkelwaard daaronder maakt een golfbeweging. Bij een grote rivier kan de geul maximaal 2,5 meter diep zijn ten opzichte van de rug. Op de foto is het hoogteverschil duidelijk minder.
Parallel aan de kronkelwaard en links van het meetstokje loopt ook een flinterdunne laag fijn grind, bezonken materiaal van de naar ’t zuiden opgeschoven rivierbodem. Het grind is op de foto niet zichtbaar. Hoe breed de rivierbocht is geweest waar deze kronkelwaard aan de binnenkant van heeft gelegen is niet te zeggen. En sporen van bewoning zijn ook te spaarzaam om hier aan te duiden. Vermeldenswaard: het kleibandje onder de bodem van de geul lijkt onderbroken als gevolg van het uitdiepen van de geul. Steeksporen?

1
Afbeelding 1: doorsnede door een meanderende rivier (naar Berendsen en Beukenkamp, 1983).
Duidelijk af te lezen van rechts naar links zijn de opeenvolging van kleistrook, kronkelwaard, en grindbezaaide rivierbodem.

2

Afbeelding 2: kaartje van een meanderend riviersysteem (naar Berendsen & Beukenkamp, 1983).
Goed te zien is hoe geulen gebogen kerven in de kronkelwaardbanken achterlaten, voor ’t merendeel parallel aan rivierbedding en stroomribbels.

Opmerking 4.
In put 3 sneden we een vrij brede geul aan. Ondanks het opkomende grondwater hebben we in de westwand van put 3 een scherp profiel van de geul kunnen steken.
We menen de dwarsdoorsnede te zien van een waarschijnlijk noordwest-zuidoost lopende verlande geul. Over een lengte van ca 44m zijn in het profiel waarneembaar: de zandige hoog gelegen noordoever, de geul zelf, en de zuidelijke oever. Het profiel steekt tot een diepte van 2.10m vanaf het maaiveld en in het midden zelfs nog iets dieper. De bodem van de geul is voor een deel niet bereikbaar vanwege het grondwater.
We zien tussen 6 en 30m, juist boven het grondwater, een horizontaal pakket van blauwgrijze klei met zoetwaterschelpen, veenresten, botmateriaal en weinig aardewerk. De blauwgrijze klei wordt afgedekt door afwisselende pakketten van achtereenvolgens zand met ijzeroxide, zandige klei en grijsbruine zware klei onder het maaiveld. Aan de noordzijde ligt het grove witte zand steeds hoger, uiteindelijk tot vlak onder het maaiveld.

Mede gelet op de (beperkte) vondsten denken we dat de geul in de Romeinse tijd nog actief is geweest.


Bronvermelding:

1) "Cultuurhistorie en Aardkunde van het Benedenrivierengebied." RIZA rapport 2003.25. December 2003.
2) "De Zandmaas - Landschapsontwikkeling en Onderzoeksmethoden." Lezing Piet van der Gaauw. Uitgave Rijkswaterstaat - De Maaswerken, 2006.
3) Dagrapportages 1 t/m 8 (23 mei t/m 25 juli 2009, Pieter Frederiks)
4) Foto's: Joop van Herwijnen