Het vormen en bakken van klei

De mens heeft altijd voedsel of drank willen opslaan, bewaren, koken, eten en drinken. Of resten van hun overleden dierbaren bewaren[1]. Aanvankelijk[2] werden daarvoor natuurlijke materialen en vormen gebruikt: schedels, kalebassen, lederen zakken. Deze gebruiksvoorwerpen werden nagemaakt in hout of klei.[3] Ook vormde men kleine votiefbeeldjes van klei en werd er met klei geschilderd.[4]

Op een gegeven moment vond men proefondervindelijk uit dat klei dat een poos in een vuur had gelegen, hard werd en min of meer vloeistofbestendig. In feite wordt door het bakproces, vooral het water uit de klei gedreven.

Eenmaal voorgedroogd tot de klei leerhard was, werden de potten gebakken. In de oudheid gebeurde het bakken in open lucht. Men maakte een holte in de grond waarin men het te bakken aardewerk samen met wat brandhout neerlegde die men dan met graszoden bedekte. Eén dergelijk procedé maakt het niet mogelijk een hogere temperatuur dan 500 à 600 graden te bereiken. Dit aardewerk was broos en poreus. Door de rook door het baksel te laten trekken ontstond zwart gesmoord aardewerk.

Het bakken van gereduceerd aardewerk. ( grijze of zwarte kleur). ( Foto: 7972 Aubechies-Belœil ).

In het Neolithicum (het late stenen tijdperk) vond een grote verandering plaats. Vanaf 6000 v. Chr. zijn de oudst bekende handgevormde vazen en schalen bekend uit Anatolië. [1]

In onze Zuidelijke streken begint de neolithische tijdperk omstreeks 4500 tot 2000 v. Chr. wanneer kolonisten uit Midden-Europa in onze streken aankomen en de laatste jagers van het Mesolithicum verdringen. Ze brachten ons de praktijk van de landbouw en van de veeteelt mee en het vervaardigen van keramiek.

Aan het half-nomadische bestaan kwam een einde, toen de mens zijn zwervende jagersbestaan opgaf en zich blijvend ergens vestigde om aan landbouw of veeteelt te gaan doen. De mensen bleven langer op een plaats wonen en voelden zich verplicht huizen te bouwen; zo ontstonden vaste woonplaatsen.

De kunst van het pottenbakken ontstond omstreeks deze tijd. Het waren tulpbekers, voorraadspotten met een bolle (ronde) bodem gemaakt van klei en gebakken in open vuur. Ze dienden voor het bewaren van voedsel, maar ook voor het koken. Hun potten werden op een heel eenvoudige manier gemaakt door klei gemengd met vuursteenfragmentjes tot een klomp samen te drukken en die daarna uit te hollen tot de pot de gewenste vorm kreeg. Een Neolithische pot is zeer gemakkelijk te herkennen aan zijn poreuze oppervlak en aan zijn onregelmatige hand geknede vorm en zeker geen decoratie of glazuur.

Er waren verschillende technieken om deze te maken:

1. Ofwel drukte men met de duimen in de klei tot men de gewenste vorm kreeg;

2. Ofwel maakte men lange kleirollen die op elkaar werden gelegd en vastgedrukt.

Door kleirollen te gebruiken voor het maken van potten kreeg men een regelmatige vorm van gelijke dikte. Te herkennen zijn de potten aan regelmatig van vorm en gelijk van dikte met soms als versiering verdikkingen van kleirollen; veel potten zijn opgewreven of gepolijst en voorzien van versieringen. Met de vingers doet men aan de binnenkant, de naden tussen de rollen verdwijnen. De naden van de buitenkant werkt men weg door de hele oppervlakte met een steentje of een schelp glad te strijken. Uit het Neolithicum is veel aardewerk bewaard gebleven. Het vervaardigen van potten, kommen was vrouwenwerk. Dit weten wij door de omvang van de vingerafdrukken die in de klei meegebakken zijn.

3. Soms werden vierkante vlak gerolde plakken in vorm gesneden en de opgaande wanden aan elkaar geplakt;

4. Of klei werd in een rieten mand gedrukt, de bij het bakken verging.

Vormschotel collectie Alem

5. Ook werden later vormschotels (terra sigillata) gebruikt, of dubbele mallen waarna de beide helften aan elkaar werden gekleid. De ontwikkelingen verliepen overigens behoorlijk traag. De kunst van het bakken werd middels ervaring van geslacht op geslacht doorgegeven. Aan het einde van de 18e eeuw werd in Doornik dunne vloeibare klei in vormen gegoten. Dat kan niet met alle soorten klei.

Draaischijf in Egypte 2500 v. Chr.

Rond 3200 v. Chr. werd de draaischijf in Palestina, Ur of Egypte bedacht, waarbij vanuit klei met de handen wordt “opgetrokken”. Eerst werd de schijf met de hand of door een assistent rondgedraaid, maar vanaf de Hellenistische periode (336 – 30 v. Chr.) door middel van een voetschijf.


Leerhard en glazuur

Voor alle baksels geldt dat na 2 dagen drogen het object leerhard is en het gladgemaakt en versierd kan worden. Na weer 2 weken drogen wordt het object biscuit gebakken, tot 980 oC, waarbij het oppervlak al halfverglaasd is. Dan kan het beschilderd en geglazuurd worden. Het bakproces wordt afgerond door afbakken op hogere temperatuur: aardewerk tot 1040-1150oC, steengoed 1200-1260oC, Porselein vanaf 1300oC. De geglazuurde pot is 8% kleiner dan hij was na het vormen.[1] Het stapelen van objecten in een oven, of het nu bakstenen of keramiek betreft, is belangrijk, vooral bij de tweede glazuurbakfase. De hitte moet om de objecten heen kunnen gaan en objecten moeten niet aan elkaar gebakken worden. Wordt het te heet, dan gaat het glazuur brobbelen, te laag en wordt dof. Voor dit laatste gebruikt men proenen.

Ook gebruikt men seger-kegels van verschillende hoogte met daaroverheen tegels, die dan een volgende laag vormen.

Bakstenen worden gestapeld waarbij er gangetjes door de stapels heen worden uitgespaard. Ook is het mogelijk kwartspoeder te strooien waar het object opgezet kan worden.

Potten braken, maar de potscherven zelf, vrij van bederf en aantasting, zijn onsterfelijk en vertellen ons veel over hoe mensen uit vroegere perioden leefden en hoe de migratiegeschiedenis van en culturele uitwisseling tussen mensen is verlopen.