Versiering van keramiek

Overal in onze contreien werd bij de hunebedden, die dateren uit het laat- neolithische periode, een grote hoeveelheid van dat vroege vaatwerk gevonden, simpel, maar doelmatig en van een vaak verbazingwekkende schoonheid.

Bij het luxe gebruiksaardewerk horen ook de eigen producten: het vrij dikwandig, bruin en purper beschilderd aardewerk. Het vertoont een typische randstructuur en vormen de zijn vrij omvangrijk. De eerste stap in deze ontwikkeling vormde het terracotta, gemaakt van poreuze klei die langs natuurlijke weg werd gedroogd.

Het aardewerk is eenvoudig versierd in een doorlopende band om het gehele voorwerp heen. Wij noemen dit daarom bandkeramiek. De versieringen bestaan uit een zich herhalend geometrisch motief zoals zigzagmotieven, spiralen of strepen in een bepaalde richting. Deze motieven kraste men met een scherp voorwerp in de natte klei voordat de pot gebakken werd. Er zijn verschillende types potten: de klokbeker en de trechterbeker. De Neolithische pot laat zich bij ons kenmerken door de handgemaakte vorm. Er komen potten voor met kamversiering en vingerindrukken op de schouder.

Versieringen van baksels zijn zo oud als de mensheid zelf en kunnen bestaan uit:

  • Ringen, groeven;
  • motieven;
  • (rad)stempels: vormen die in de klei werden gedrukt;
  • appliqué’s: tevoren uit een vorm gesneden kleivormen die op het voorwerp werden bevestigd en meegebakken. Ook: oren, knoppen, tuiten en hengsels;
  • anderskleurig slib, een contrasterende kleikleur opbrengen mbv een ringeloor;
  • engobe, een meegebakken dunne vloeibare kleilaag om het voorwerp van een mooie glans te voorzien: b.v. Terra Sigillata;
  • sgrafitto of sgraffiato: men bracht een laag anderskleurige klei (engobe) aan en sneed daarin ornamenten uit waardoor het onderliggende roodbakkende aardewerk zichtbaar werd;
  • polijsten.

Bijzondere vormen van versiering:

  • kwaarten: in Delft bracht men door te sprenkelen over het geheel nog een extra glanzende laag loodglazuur aan; vervolgens werd het gebakken samen met het eerste hardbakken van de nog onbewerkte waar, de geverfde vorm boven;
  • schilderen met een metaaloplossing zoals koper en zilver leverde een metaalglans op na bakken;
  • goudluster: een mengsel van bepaalde metaaloxyden (evt goud, zilver, platina, koper), balsem en terpentijn; dit werd met penseel opgebracht en reducerend gebakken in de moffeloven, waarbij de koolstof van de rook zich verbindt met de zuurstof in de verf.
  • Emailverven in reliëf vanaf 1820;