Waterdicht? Glazuur of keihard bakken!

Om voedsel en drank goed te kunnen houden is het belangrijk dat het aardewerk zoveel mogelijk waterdicht is. Het aardewerk dat onder 1150 oC is gebakken is nog steeds min of meer poreus; alleen aardewerk dat op hogere temperaturen is gebakken zoals steengoed en porselein, latere uitvindingen, zijn echt waterdicht, waarover later meer. Een glazuur is een oplossing om minder heet gebakken voorwerp waterdicht te maken.[1]

Loodglazuur

Belangrijk was de ontdekking dat als men een gedoogde vorm in een loodoplossing onderdompelde en dan bakte, er een waterdichte laag ontstond. Het bestond uit een mengsel van klei, loodoxide, loodsulfide of menie. Lood kwam in grote hoeveelheden ter beschikking als afvalproduct bij de zilverwinning. Loodhoudende glazuur was ook geschikt voor het glazuren van Europese kleien. Loodglazuur is transparant en dus blijft het aardewerk eronder zichtbaar. Voor 800 was loodglazuur al in de Oost-Romeinse wereld bekend , maar hadden de fabrikanten van terra sigillata blijkbaar geen motivatie om zich met glazuur bezig te houden. Geglazuurd aardewerk bleef relatief onbeduidend. Na de val van het West-Romeinse Rijk werd de technologie grotendeels vergeten. Een uitzondering was het Moors aardewerk in Spanje, sinds de komst van de Moren naar Granada in 711.

Tinglazuur

Al in de 6e eeuw v. Chr wordt tinglazuur in Perzië uitgevonden, maar raakte weer in de vergetelheid.

Door tinoxide toe te voegen aan het loodzuur, ontstond een ondoorzichtige witte laag, welke, gebakken, ook glanst. Het werd aangebracht door onderdompeling in een oplossing, na een eerste bakronde zodat het baksel nog poreus genoeg was om glazuur op te nemen. Op de ontstane witte laag kon men veelkleurige andere kleuren toevoegen, mits bestand tegen het vuur, wat het rijk decoreren mogelijk maakte; zoals het gebruik van kobaltblauw dat het mooist bleef en dat de Chinezen op hun beurt weer overnamen. Rood was een moeilijke kleur en verbrandde snel. Deze kleur evenals lichtgroen en pastels werden dan in een minder heet vuur na de hete blauwe bakgang gebakken. Goud verdroeg geen hitte, maar moest worden meegebakken. Dit geschiedde in moffelovens, door gespecialiseerde bakkers op zeer laag vuur: een dure grap.

Pas in de 9e eeuw n. Chr wordt tinoxide heruitgevonden in de Islamitische kunst van Mesopotamië (Irak), volgens de overlevering na een diplomatieke uitwisseling. In die tijd ontving Harun ar-Rashid in Bagdad van de gouverneur van Khorasan “twintig stuks keizerlijk porselein” uit China. Hij wilde dit na laten maken, maar de Iraakse pottenbakkers begrepen dat zij niet over dezelfde kleisoort beschikten als de Chinezen. Met hun ervaring met aardalkaliglazuren uit de genoemde Parthische periode (250 v.Chr. – 226 n.Chr.) creëerden ze een wit glazuur door de toevoeging van tinoxide. Op deze uiterst witte basis schilderden ze met kobaltblauw “als met inkt op sneeuw”. De blauwe schildering werd door de Chinezen overgenomen als “Hui-ch’ing = Mohammedaans blauw”. Dit met kobalt beschilderd porselein werd het bekendste exportproduct van de Ming-periode (1368–1644).

Vervolgens werd deze techniek naar de rest van islamitisch Noord-Afrika verspreid[1]. En vandaar tussen 1100-1600 naar Andalusië (Mudejar) waar productie van lusteraardewerk en blauw gedecoreerd aardewerk plaatsvond, toen het aardewerk bloeide onder de Nasriden (1297 -1472) met Perzische pottenbakkers die de Mongolen waren ontvlucht.

In de Ottomaanse tijd (1299 -1922) werd aardewerk à la porcellana uitgevonden. Het eerdere tinglazuur-aardewerk bestond uit een naturelkleurige scherf bedekt met een ondoorzichtig tinglazuur, dat in ongebrande staat werd beschilderd (“inglazuur”). Het Osmaans aardewerk daarentegen bezat een witbrandende scherf waarop geschilderd werd. Hierover werd een transparante lood-alkaliglazuur aangebracht, waarbij het lood de breking van het licht vergroot en de kleuren laat schijnen. Het alkaligehalte verwijderde de gele tint van het zuivere loodglazuur. Tussen 1300-1400 vond tinglazuur zijn weg vanuit Spanje naar het Italië van de Renaissance, waar het Majolica werd genoemd naar de eerste import van “aardewerk met glazuur” via het eiland Mallorca. In de latere 14e eeuw werd het beperkte kleurenpalet van het traditionele mangaanpaars en kopergroen uitgebreid met kobaltblauwantimoongeel en ijzeroxide-oranje.

Toen de Welfen onder Astorgio Manfredi in 1313 een stadsregering (signoria) vestigden in Faenza, groeide de stad uit tot een metropool van keramiek. In Frankrijk noemde men dit faïence. In Nederland werd dit aanvankelijk majolica genoemd, maar na de opkomst van de Franse faïence werd voor het latere werk faience gebruikelijk. Internationaal is het gebruik van de benamingen maiolica en faience afhankelijk van het taalgebied en grotendeels overlappend.

Na de val van de Manfredis in 1501, en om te ontsnappen aan de inquisitie, verspreidde de productie van tingeglazuurde aardewerk zich over Europa. Een belangrijk centrum werd Antwerpen, maar vanwege de Tachtigjarige Oorlog verhuisden veel pottenbakkers naar met name Delft in de Noordelijke Nederlanden en de Provence (MoustiersMarseilleToulon) in Frankrijk in de 17e en 18e eeuw.

Rond het midden van de 18e eeuw introductie men een derde bakgang bij lage temperatuur na beschildering, waardoor de schildering bewaard blijft. Nieuwe kleuren mogelijk waaronder rood en roze uit goudchloride.

Zoutglazuur In de 16e eeuw vond men nog een andere methode om m.n. grès of steengoed definitief waterdicht te maken en/of mee te versieren, namelijk zoutglazuur. In Duitsland en Engeland smeet men vanaf de 2e helft van de 15e eeuw tijdens het bakken een handvol keukenzout in de oven, wat leidde tot een verbinding met de klei; er vormde zich een dun laagje natrium-aluminium-silicaat: zoutglazuur, dat waterdicht was.  Hoewel het zoutglazuur op steengoed al in 1429 in Siegburg verscheen, overheerste nog lang de stook bij lagere temperatuur in combinatie met loodglazuur. Steengoed is vaak van een zoutglazuur worden voorzien, maar ijzer-engobe en leemglazuren komen ook voor.

(Proto)steengoed

Aardewerk met loodglazuur kreeg een Duitse concurrent, Keuls aardewerk: steengoed, grès.

In de 12e en 13e eeuw konden pottenbakkers rondom Keulen niet heter stoken dan circa 1150 graden omdat de kleien die geschikt zijn voor de latere hoge steengoedbrand alleen rond de 50ste breedtegraad voorkomen, en vanwege de baktradities uit het Nabije Oosten, dat alleen kleisoorten met een lage temperatuurbestendigheid heeft.  En daarmee werden aardewerkvormen (vooral kannen) in protosteengoed vervaardigd. Dat baksel is nog niet geheel versinterd en voelt nog ruw aan vanwege de magering met zand. In de stad Siegburg werden rond 1275 de eerste echt versinterde steengoedkannen geproduceerd.

Tot in de moderne tijd lag de gebruikelijke stooktemperatuur in het Westen bij 900 tot 1000 °C.  In het Nabije Oosten en Zuid-Europa stookte men met een relatief lage temperatuur omdat alle lokale klei al boven 1150 °C versmolt.

Het harde steengoed kon in Europa sinds ongeveer 1300 AD voor het eerst in de liggende ovens worden geproduceerd bij 1250 °C, een temperatuur die de Chinezen al in de Tang-tijd (618-906) behaalden.

Steengoed of gres is een keramisch materiaal dat gemaakt is van een kleisoort (meestal oude tertiaire klei) die tegen hoge temperaturen bestand is en alleen in noordelijkere delen van Europa te vinden is. De eigenschappen van steengoed zitten in tussen die van aardewerk en porselein. Het wordt gebakken bij 1150 tot 1350 °C, waarbij het versintert, waardoor het niet-poreus is en ondoordringbaar wordt voor de meeste vloeistoffen. Het is ook goed bestand tegen zuren. Door het sinteren werd aardewerk grijs, praktisch waterdicht en veel harder.

Vanaf de 16e eeuw ontstaan de baardmankruiken van Keulen-Frechen, Kreussen (bruin) en Nassau (blauw). Mogelijk naar Romeins voorbeeld (pot museum Kan, 2e helft 1e eeuw). Het product met kenmerkende kobaltblauwe decoraties werd in het Westerwald bij Siegburg geproduceerd.

Door de vele waterwegen en het feit dat Nederland deel uitmaakte van het Duitse rijk, werd al dit aardewerk massaal ingevoerd en gebruikt.

Veel import dus, maar hier werd ook geproduceerd, steeds kijkend naar de buren: het blauwgrijze in Friesland; Limburg keek naar het Duitse materiaal, had alleen wat hoger schouders. Zeeland keek naar Vlaanderen als voorbeeld, bv roodbruin aardewerk met appliqué’s of radstempels, voorzien van witte engobe en groen glazuur vanaf de 13e eeuw uit Gent en Brugge.

In Brunssum-Schinveld (zuid Limburg) en Elmpt-Brüggen (Duitse grensregio bij Venlo-Roermond) waren in de middeleeuwen ook pottenbakkerscentra van steengoed-vaatwerk. Het Rijnlandse steengoed werd in Keulen op de markt gebracht. De term ‘Keulse potten’ voor steengoedpotten en kannen uit de 19e en 20ste eeuw is te herleiden tot de plek waar steengoed werd verhandeld.

Oxiderend, reducerend of beiden afwisselend leidde tot kleurverschillen, zoals geel, grijs en bruin. Dit werd toegepast in Siegen, Keulen en Raeren. Keuls aardewerk werd maar 1 keer gebakken en was dus laag geprijsd.

Langerwehe in de 15e eeuw maakte wit aardewerk met aan de binnenkant gelig loodglazuur.

In Nederland liepen we in de ontwikkeling van aardewerk niet vooraan. Kogelpotten werden vanaf 900 hier gemaakt en in een primitief vuur geplaatst. Vanaf de 11e tot de 19e eeuw wilde men de kookpot ook buiten het vuur plaatsen en ontstond de grape, steeds mooier gevormd (bv tenen aan de pootjes). Later werd de kookpot in metaal uitgevoerd en met oren boven een vuur gehangen.

De koekenpan of steelpan ontstond rond 1200 uit de Romeinse bronzen casserole, dus ontwikkelde zich andersom: van metaal naar keramiek; in Limburg voor het eerst met een holle steel. En via Friesland zelfs nagemaakt in Pingsdorf. En uiteraard allerhande drinkbekers, potten, pispotten, schalen, olielampjes, vetvanger, braadslede, beeldjes, speelgoed, kandelaren, roompot,  plantenpotten (15e eeuw), etc. Borden pas in de loop van de 15e eeuw: men at daarvoor vanaf een stuk brood.