Hoe werden wandtegels gemaakt? 

De tegelmaker legde de kneedbare homp klei in een metalen vorm, een raam, en rolde de klei uit tot een vlak plaatje, dat zo’n vier tot zes weken moest drogen tot het ‘leerhard’ was.

Voordat de tegel gebakken kon worden moest de tegelbakker de randen van de tegel mooi recht afsnijden, want klei krimpt onregelmatig tijdens het drogen. Dit snijden gebeurde met een houten mal. Om te voorkomen dat de mal zou verschuiven spijkerde men deze op twee of alle vier de hoeken vast in de klei, waardoor er kleine gaatjes in de tegel ontstonden. Bij tegels van voor 1850 kun je deze gaatjes in de vorm van putjes in het glazuur zien.

Eenmaal ‘biscuit’ gebakken bedekte men de tegel met loodglazuur waaraan tin-oxide werd toegevoegd waardoor een mooie witte glazuurlaag ontstond, waarop afbeeldingen geschilderd konden worden. Ook de hoeken werden veelal versierd, de bekendste versieringen zijn de ossenkop, spinnenkop en Bourgondische lelie.

Als de tegelschilder klaar was bakte men de tegel nogmaals bij 1000 graden. Het hele bakproces inclusief afkoelen duurde zo’n vijf dagen.