Pottenbakkers-ovens

Een pottenbakkersoven bij de Gallische Hoeve te Destelbergen (België)

De ontwikkeling van kleiovens

De ovens waren eerst rechtopstaand, met stijgende vlam onder een rooster. Al in het 4e millennium voor Christus waren er in het Midden-Oosten tweekamerovens waarin de brandstof en het te bakken product werden gescheiden. De Grieken bedachten de eerste front-loading oven; ze ontwikkelden ook bakken als een vak en beroep. 440 v.Chr. hadden pottenbakkers ovens waarbij de luchttoevoer kon worden geregeld en kon aardewerk bij hogere temperaturen worden gebakken. De eerste ovens waren staande en liggende ovens.

Primitieve ovens uit Kreta, Noord-Afrika en Nabije Oosten, maar dus ook bekend bij Hallstatt-cultuur, de Romeinen en in de Middeleeuwen, waren staande ovens: vaatwerk werd op een 20- 30 cm dik rooster boven het vuur gestapeld.

Wat het aardewerk betreft, in het begin van het IJzertijdperk was het bijna identiek met dat van in het Bronzen Tijdperk, totdat vanaf de eerste eeuw vóór Chr. de pottenbakker gebruik kon maken van de pottenbakkersschijf, dank zij de vooruitgang van de metaalindustrie. Dat pottenbakkerswiel bestond uit een zware ronde houten schijf die in het midden aan een verticale as werd bevestigd. Die ronde houten schijf werd met de voet in beweging gebracht. Ook de pottenbakkersovens werden verbeterd zodat tijdens het bakken de potten of het baksel zowel van de vlammen en open lucht werd afgezonderd. Op die manier kon men gemakkelijk een temperatuur van 900 graden behalen.

Echte pottenbakkersovens’ vinden we pas heel laat terug in de prehistorie. De meeste dateren dus van eind de IJzertijd tot begin Romeinse tijd. In Nederland zijn er trouwens ook niet zoveel terug gevonden[1]. In principe kunnen we deze ovens dan verdelen in 2 typen:

  • een met een ovenrooster (Lochtenne) waarop het te bakken goed staat
  • het type oven waarbij het bakgoed op een verhoging staat.

Gallo-Romeinse periode: 57 vóór Chr. tot ca. 480 na Chr.                                                                                                                     

De Romeinse oven leek op die uit de IJzertijd. Het stookkanaal is de gang die aan de oven vastzit en vormt met de stookkamer een geheel. Boven de stookkamer hing een lemen roosters, de vloer waarop de te bakken potten staan. De oven werd afgesloten met een koepel, waarin aan de bovenkant een opening open werd vrijgehouden die als trekgat dienst deed.


Romeinse oven te Halder

Na de Gallische oorlog vallen de Zuidelijke Nederlanden geleidelijk onder het Romeinse Keizerrijk. Het wegennet werd verbeterd en ontwikkelen de handel en de ambachten enorm. De Romeinse periode bracht eenheid binnen de vele vormen van aardewerk. Hoewel het aantal productiecentra toenam, vertoonden ze toch alle dezelfde stijlenmerken die de lokale tradities wat verdrongen, maar niet geheel deden verdwijnen. Het bekendst en meest bestudeerd zijn: terra sigillata, terra nigra, gevernist (zwart), ruwwandig, gladwandig, terra rubra (rood). Vanaf 370 komen meer en meer Germaanse immigranten zich in onze gewesten vestigen.

In de late 4e eeuw begin 5e eeuw vindt er een grote Frankische opmars plaats en een definitieve Germanisering . Het Romeins glas en aardewerk, o.a. afkomstig uit de ateliers uit Keulen verdwijnen in onze regio. Het onderhoud van het Romeinse wegennet raakte in verval en de handel valt langzaam stil.

Van de 5e tot de 8ste eeuw

De Grieken bedachten de liggende front-loading oven, waarbij de luchttoevoer kon worden geregeld en aardewerk bij hogere temperaturen worden gebakken. Bij de Middeleeuwse liggende ovens wordt het vuur vóór de te bakken potten gestookt, waarbij de bodem enigszins naar bodem oploopt, waarbij de maximaal behaalde temperatuur 1000oC [1]bedroeg.

De Chinese ovens waren superieur en bereikten temperaturen van 1200 oC; Ook zij hadden een schuin oplopende bodem, waarbij de kamer zich ook versmalde; de rook verliet de oven aan de achterkant via een ronde schoorsteen, waardoor trek ontstond. Deze ovens konden behoorlijk groot zijn: 4 x 1,5 x 0,9 meter (lxbxh).

In Korea had men ook tunnelovens, met wel 20 kamers met potten, achter elkaar gebouwd tegen een helling aan[1].

In het Song-tijdperk (960–1279) werden de ovens voorzien van een muur tussen de vuur- en de ovenruimte.


Middeleeuwse frontovens

Tot in de moderne tijd lag de gebruikelijke stooktemperatuur in het Westen bij 900 tot 1000 °C. In de 12e en 13e eeuw niet heter dan 1040°C à 1150 °C. Bij die temperatuur hechten de kleideeltjes zich aan elkaar, al is het baksel nog steeds poreus. Inferieure klei smelt ook bij hogere temperaturen.


Vanaf 1276 na Chr.

Het harde steengoed verscheen in Europa sinds ongeveer 1300 AD bij 1250 °C voor het eerst bij de liggende, een temperatuur die de Chinezen al in de Tang-tijd (618-906) behaalden. In het Nabije Oosten en Zuid-Europa stookte men met een lagere temperatuur omdat alle lokale klei al boven 1150 °C versmolt. Alleen in noordelijkere delen van Europa is plaatselijk klei te vinden die op hoge temperatuur gebakken kan worden. Böttger produceerde in 1708 te Dresden voor het eerst een hard porselein , dat in een door hem verbeterde liggende oven met hogere temperatuur werd gebrand dan het zachte pseudo-porselein.

De fles-vormige ovens in Stoke-on-Trenton werden vervaardigd van vuurvaste klei, voorzien van een gietijzeren roosterwerk. Onderin waren er meerdere vuurmonden en de vlammen en rookgassen stegen omhoog. De potten stonden afgeschermd in een ruimte van keramisch materiaal. Doordat ze gestookt werden met kolen en cokes, behaalden ze temperaturen van 1300oC.

Moderne industriële ovens

Of het nu gaat om baksteen- of porseleinovens, het zijn vaak continu brandende lange tunnelovens met temperatuurregeling. Vóór de temperatuurmeting en -regeling door thermokoppels gebruikelijk werd, werd de temperatuur gemeten aan de hand van de neerslag van de rookgassen, door de kleur van het vuur, vervolgens door monsters te trekken, met optische pyrometers en, sinds 1886, met de door Hermann August Seger (1839-1893) ontwikkelde segerkegels. Die waren zo samengesteld dat ze bij een bepaalde temperatuur inzakten. Vergelijkbare smeltpyrometers zijn de in Engeland ontwikkelde Orton- en Staffordshire-kegels (van Wedgwood) en buller-ringen.