De Kleipijp – een stukje geschiedenis

Op schilderijen met kroegtaferelen uit de 17e eeuw zie je vaak mensen afgebeeld die een pijp roken. Het lijkt alsof het roken van een pijpje in Nederland tamelijk gewoon was. Dit was niet zo, tabak was aan het eind van de 16e eeuw en het vroege begin van de 17e eeuw schaars en duur. Later was tabak niet meer zo duur en algemeen bekend. Christopher Columbus bracht de tabak mee uit Amerika. Pas vanaf circa 1580 begint men hier te roken uit een pijp. In het Rijksmuseum hangt een schilderij van een herberg waar een rad met pijpen aan de muur hangt. Algemeen wordt aangenomen dat het in die tijd gewoon was om in de kroeg of herberg naast je pintje ook een pijpje tabak te bestellen.

Vanaf het begin toen het eerste tabakszaad naar Europa kwam tot het eind van de 16e eeuw werd de tabaksplant in de ‘kruidenboeken’ ingedeeld bij de geneeskrachtige kruiden. Tabak werd na 1620/1630 vooral populair omdat het een roesverwekkend en verslavend middel is. Uit documenten blijkt dat er vanaf 1610 tabaksteelt in Zeeland was en vanaf 1615 was er teelt bij Amersfoort. In en rond Amerongen kun je ook nu nog steeds tabaksschuren zien waar de tabak werd gedroogd.

Voor het roken van een pijp bestond vanaf het eind van de 19e eeuw een speciale stoel waar men achterstevoren op zat, met bovenin op de rugleuning een smal lang laatje waarin je de pijp, tabak en andere rookbenodigdheden kon opbergen.

In de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) vochten vele Engelse huursoldaten aan de kant van de Republiek tegen de Spanjaarden. Met regelmaat werd er niet gevochten, bijvoorbeeld in de winter, waardoor men niet het gehele jaar door verzekerd was van een inkomen. Om geld te verdienen grepen zij terug op hun oude beroep of namen het beroep van pijpenmaker aan als nieuw beroep: het maken van kleipijpen. Ook om geloofsredenen gevluchte Engelsen vestigden zich begin 17e eeuw in Nederland. Er ontstonden na verloop van tijd vele bedrijfjes.

Omdat brandstof, pijpaarde, over water uit het buitenland werd aangevoerd en de gereed gekomen producten per boot getransporteerd werden, vestigden pijpenmakers zich bij voorkeur in waterrijke plaatsen zoals  Amsterdam, Gouda, Leiden en Utrecht. En in de buurt van pottenbakkers, want tot in de 18e eeuw had geen enkele pijpenmaker zijn eigen oven. Vaak werden potten met pijpen samen bij een pottenbakker in de oven gebakken. Een leuke vondst die dit bevestigt is een pijpje met een beetje ‘lekglazuur’, afkomstig van een aardewerken pot die erboven stond.

Vanaf 1660 verenigden pijpenmakers in de grotere productiecentra zich in gilden. Hierdoor konden onder andere prijsafspraken over het bakken van de pijpen worden gemaakt en import van buiten de stad worden tegengegaan. Van de vier hierboven genoemde grote productiecentra was Gouda de meest succesvolle. Niet alleen hadden de Goudse pijpenmakers zich verenigd in een gilde (iets wat in Amsterdam nooit is gelukt), ook legde Gouda zich meer toe op het vervaardigen van hoogwaardige producten, terwijl Amsterdam en Utrecht meer eenvoudige pijpen gingen maken om hun verkoopcijfers te verhogen. De Goudse pijpen werden door hun hoge kwaliteit geliefde exportproducten. Gouda is daarmee vanaf 1630-1640 de pijpenstad bij uitstek.

Iedere pijpenmaker had zijn eigen merk. Na zijn overlijden kon zijn merk overgaan op vrouw of zoon. Als niemand het bedrijf voortzette werd het geroyeerd en kon worden gekocht door iemand anders.

Door de opkomst van de sigaar (in de 19e eeuw) en de sigaret (in de 20e eeuw) neemt de omzet van kleipijpen snel af. De laatste Goudse professionele pijpenmaker sluit in 2006 zijn deur.

Productie

Voor de vervaardiging van kleipijpen werd witte pijpaarde gebruikt, die werd aangevoerd uit België, Duitsland en Engeland. Om te voorkomen dat de klei tijdens het bakken zou barsten moest deze voldoende zuiver zijn. Van de klei werd daarom eerst een dunne brei gemaakt om verontreiniging te laten bezinken. De klei werd daarna enigszins gedroogd, gemalen, gekneed en een aantal weken, soms maanden, in een donkere ruimte gelegd om te besterven. Daarna werd de klei nogmaals gekneed en was deze klaar om rollen van te maken. De rollen liet men enige dagen drogen voor de klei in de pijpenmal, de vorm, werd geperst en gebakken.

Onderdelen van de kleipijp

1 = kop of ketel, (soms versierd of met een zijmerk)

2 = ketelopening

3 = hiel of spoor, met soms een hielmerk

4 = stoep

5 = steel met soms versiering of een zijmerk

6 = mondstuk (hier niet aanwezig)

7 = rookkanaal

8 = radering

Als afwerking kan de kop of steel gepolijst worden, waardoor de pijp een ‘geglaasd oppervlak’ krijgt.

Dat er geregeld pijpenkopjes worden gevonden ligt aan de kwetsbaarheid van de kleipijp en het enorme tabaksgebruik indertijd. Er zijn heel veel verschillen in de kleipijpen. Zo zijn er eenvoudige gladde of ruwe pijpen, kleine maar ook grote. Eenvoudig of rijk versierd. Soms hebben de stelen ook versieringen, ze hebben wel of geen hielmerk, er zijn pijpen met dikke stelen, of juiste dunne. Ook zijn er bijzondere vormen met hoofden, gelegenheidspijpen, reclamepijpen enzovoorts. Datering, zeker van losse vondsten, is niet eenvoudig. Gelukkig zijn er vele publicaties verschenen over pijpenkoppen die ook via internet beschikbaar zijn.

Regelmatig is de maker te achterhalen door een hielmerk, initialen of een bijzondere versiering.

Ina Veenstra, lid Archeologische Werkgroep ‘Leen de Keijzer’


Bronnen

Presentatie “Kleipijpen in Nederland” door Ria van Heerden, lid Archeologische Werkgroep ‘Leen de Keijzer’

website www.archeologiezwartewaterland.nl

Voor meer informatie over kleipijpen en talloze artikelen over (de historie van) kleipijpen, zie de website van de PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen: http://www.tabakspijp.nl


👉 Ook in de bibliotheek van de Archeologische Werkgroep ‘Leen de Keijzer’ is informatie over kleipijpen te vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *